Tagarchief: hooglied

De huwelijksrelatie – liturgie van de liefde (hoofdstuk 5)

DE EENHEID

EENHEID, DE ENGELEN WAKEN EROVER!

“Zij zullen één vlees worden.” (Gen. 2, 24)

  1. Verlangen en genot in het licht van het Hooglied

Hoe kunnen we  de seksuele eenheid benaderen in haar eucharistische dimensie ? In het nu volgend hoofdstuk zullen we dit  doen met behulp van het Hooglied van de Liefde. De geestelijke betekenis van deze tekst, door vele mystici besproken, neemt de letterlijke betekenis van de viering van de liefde tussen man en vrouw niet weg. Het literair genre van dit boek – poëzie – laat ons toe dit onderwerp niet op een beschrijvende manier  te behandelen, dit zou eerder zwaar  zijn, maar  wel op een alluderende of een suggestieve manier.

Het doet ons denken aan de schilderijen van de neo-impressionisten die de natuur niet schilderen, volgens duidelijk afgelijnde omtrekken, maar met  behulp van losse, korte verfstreken hun impressie vastlegden. Deze poëtische uitdrukking bewaart het mysterie van wat beschouwd wordt. Het suggereert een inwendig klimaat bij het ontwikkelen van de thema’s.

* Het thema van de hevigheid van het amoureuze verlangen.

Bij de man: de geliefde is een ondernemende man, vol initiatieven, die obstakels en moeilijkheden kan overwinnen (“de bergen” en “de heuvels”) om het hart van zijn geliefde te ontmoeten. Hij rent naar haar toe in de haast van zijn verliefd verlangen. De vrouw kan dit haastig verlangen als heel fijn ervaren.

“Ik hoor mijn geliefde. Daar komt hij aan, springend over de bergen, over de heuvels komt hij aangesneld.” (Hoogl. 2, 8)

Bij de vrouw: de geliefde – en dat heeft commentatoren generaties lang verbaasd! – is verre van passief. Zij wordt niet voorgesteld als het “object” van de liefde, maar zij doet zich gelden als “subject” van de verliefde relatie. Dit toont zij – volgens veel vrome lezers nogal gedurfd – doorheen  de talrijke initiatieven,

“ ’s nachts op mijn bed, zoek ik mijn zielsbeminde…” (Hoogl. 3, 1-2)

Zij drukt haar verlangen om bemind te worden vrijelijk uit:

“Overstelp mij met de kussen van uw mond,

want uw liefkozingen zijn zoeter dan wijn; […]

Trek mij mee, laat ons vluchten!

Neem mij mee, o koning, in uw vertrekken;

Wij willen juichen, ons met u verblijden,

Wij willen zingen van uw liefde, zoeter dan wijn:

Iedereen moet wel van u houden!” (Hoogl. 1, 2-4)

Ongeremd spreekt ze haar passie uit en haar verlangen zich in het avontuur van de liefde te storten:

“Kom, mijn lief, laten we naar buiten gaan!

Laten we overnachten in de dorpen…” (Hoogl. 7, 12)

Wat een durf om haar liefde te tonen en zelfs de sociale traditie uit te dagen (wij zijn in het Oosten!):

“Was u maar mijn broeder, gevoed aan de borsten van mijn moeder!

Dan kon ik u kussen als ik u op straat ontmoette

En niemand zou er aanstoot aan nemen!” (Hoogl. 8, 1)

Uit voorgaande moeten we zeker onthouden dat het, meer nog dan een vrije uiting van onze liefdesgevoelens, een uitnodiging is om te breken met de verlegenheid, te breken met die belemmeringen die ons beletten om tot een seksuele ontmoeting te komen met de ander.

 

* Het thema van de blik die het lichaam van de andere bewondert

De geliefden van het Hooglied verenigen zich niet in de duisternis van een kamer om de schaamte van de naaktheid van het lichaam te ontlopen. Zij kijken naar elkaar vol bewondering.

De geliefde kijkt graag naar het lichaam van zijn beminde :

“Wat ben je mooi, mijn vriendin, wat ben je mooi!” (Hoogl. 4, 1)

Hij neemt de tijd om het lichaam van de vrouw te beschrijven:

“Je ogen zijn als duiven…

Je lokken zijn als een kudde geiten…

Je lippen als een lint van purper,

Je mond is zo bekoorlijk…” (Hoogl. 4, 1-3)

In de beschrijving verwijlt de man geruime tijd bij het lichaam van de geliefde zonder er zich op te sluiten. Want de “lippen” verwijzen naar de ”mond”, dat wil zeggen de woorden die de gevoelens en de emoties uitspreken, en de uitdrukking zijn van de gedachten van de geliefde.

Hij stopt bij het gelaat dat de ziel openbaart:

“Laat mij je gezicht zien,

Laat mij je stem horen,

Want je stem is zo mooi,

Je gezicht zo lieftallig!” (Hoogl. 2, 14)

De geliefde bekijkt ook graag het lichaam van haar beminde . De bewondering is op vele plaatsen in het gedicht te lezen:

“Mijn lief is blank en blozend,

Onder tienduizend anderen is hij te herkennen.

Zijn hoofd is van het zuiverste goud,

Zijn lokken zijn palmentakken,

Zijn ogen zijn duiven…

Zijn lijf is van gepolijst ivoor… (Hoogl. 5, 10-14)

Ook bij haar gaat de blik op het lichaam over naar de woorden:

“Zijn mond is een en al zoetigheid,

Hij is de aantrekkelijkheid zelve… (Hoogl. 5, 16)

* Het thema van de aanraking

De vrouw onthaalt het lichaam van haar geliefde op zich.

Zij geeft hem rust.

“Mijn lief is als een zakje mirre dat rust tussen mijn borsten.” (Hoogl. 1, 13)

Ze laat zich omarmen:

“Zijn linkerarm is onder mijn hoofd,

En zijn rechter om mij heen. (Hoogl. 2, 6)

Het zien van de schoonheid van het lichaam van de vrouw verwekt bij de man het verliefd initiatief, de streling en het verlangen van de omarming.

“Hoe mooi ben je mijn liefste, hoe bevallig, hoe bekoorlijk!

Je gestalte is zo slank als een palm,

Je borsten zijn als druiventrossen.

Ik dacht bij mijzelf: ik klim in die palm en pluk zijn dadels.

Laat je borsten voor mij zijn als de trossen van de wijnstok… (Hoogl. 7, 7-9)

De vrouw is gelukkig toe  te behoren aan hem die ze liefheeft, door hem begeerd te worden.

“Ik ben van mijn lief, naar mij gaat zijn verlangen uit.” (Hoogl. 7, 11)

Zij drukt haar wens uit zich aan hem te geven, hem de vruchten van haar lichaam en haar ziel te geven:

“Dan zal ik u met liefkozingen overstelpen!

De liefdesappelen geuren reeds

En boven onze deuren hangen de kostelijkste vruchten,

Jonge vruchten en oude, die ik bewaard heb voor u, mijn lief!” (Hoogl. 7, 13-14)

KADER

DIT IS MIJN LICHAAM

Godslastering of werkelijkheid?

Heel ingetogen, denk ik vandaag voor jou deze goddelijke woorden te kunnen uitspreken:

“Dit is mijn lichaam”

Ik neem dit lichaam met beide handen,

Met zijn materieel gewicht,

Zijn verlangen, zijn weerklank,

Met de diepte van zijn gevoeligheid,

En de rijkdom van zijn affectief leven…

Zijn zwangerschappen, de eindeloze bevallingen…

Met zijn onlesbare dorst naar eeuwigheid.

“Dit is mijn lichaam”…

Ik geef het je als voedsel,

Ontvang het, als de meest volmaakt gift die ik je kan doen,

Van wie ik ben, je echtgenote.

En jij geeft me en ik ontvang:

Je mannelijk lichaam, met zijn kracht en sterkte.

Geweldig en onstuimig, met zijn bekoringen en zijn vruchtbaarheid…

Met zijn originele gaven, zijn uitbundige projecten,

En zijn uitputtende zoektocht naar het doel,

Het enige doel van je leven.

Met je ziel, snijdend als een zwaard, rein als een meer,

Die de zuiverheid van God weerkaatst.

“Dit is je lichaam”

Als we samen één worden,

Is het geen godslastering te zeggen,

Dat we met Christus één worden,

Door wie onze wezens doorkneed zijn.

En jij en ik,

Zonden en zwakheden, vreugde en verdriet van het koppel,

Worden enige hostie,

Naar het beeld van Christus.

Moge in Hem, door Hem, met Hem,

Eindelijk geheiligd worden,

De liefde van een man en een vrouw,

Die een danklied geworden is,

Mis tot glorie van God.

Mysterie van het koppel, Ancelle

Editions Ouvrières – editions de l’Atelier, 1964

EINDE KADER

* Thema van het genot dat de zinnen verblijdt

De man en de vrouw uit het Hooglied proeven het geluk van de liefde die zich uitdrukt in het gerechtvaardigd genot van de seksuele eenheid. Dit gedicht ontwikkelt een visie die fundamenteel positief is over het lichaam en de seksualiteit.

De vreugde van de liefde wordt gevierd doorheen  een poëtische taal die gebruik maakt van rijke beelden om het genot en de gevoelens, op een sensuele  wijze te verduidelijken.

o De verliefde relatie maakt dronken zoals de wijn:

“Je navel is een ronde kom,

Moge de gekruide wijn er niet ontbreken!” (Hoogl. 7, 3)

“Ik zal u gekruide wijn te drinken geven,

En de most van mijn granaatappels.” (Hoogl. 8, 2)

o Zij heeft de zachtheid van olie:

“de klank van uw naam is als rijk parfum. (Hoogl. 1, 3)

o Ze bedwelmt als Oosterse parfums:

“Rookwolken van mirre en wierook,

Van kruiden uit verre landen. (Hoogl. 3, 6)

o Ze verblijdt de blik zoals bij het zien van de natuur in de lente:

“Op het veld staan weer bloemen,

De vijgenboom draagt zijn eerste vruchten al.” (Hoogl.2, 12-13)

o Ze verrukt het oor zoals lentemuziek:

“De tijd om te zingen breekt aan,

De roep van de tortel klinkt over het land.” (Hoogl. 2, 12)

* Thema van de seksuele eenheid

In de tekenen van haar lichaam, moet de vrouw zich openen om de man in haar te onthalen, zoals zij zich moet openen om het kind het leven te geven. De poëzie in het Hooglied herneemt de symbolische thema’s van het huis en de gesloten tuin om het mysterie te duiden van de vrouw die zich seksueel opent voor haar geliefde.

De bruidegom in het Hooglied nodigt uit tot de liefde zonder de vrouw te dwingen. Liefde vraagt zonder te dwingen.

De geliefde:

“Ik hoor mijn geliefde die loopt:

Doe open, mijn zuster, mijn vriendin,

Mijn duifje, mijn schoonste!” (Hoogl.5, 2)

De man herkent zijn kwetsbaarheid in de verliefde passie. Hij is “buiten zichzelf” en dat maakt hem afhankelijk van de vrouw.

“Je hebt me van mijn zinnen beroofd,

Mijn zuster, mijn bruid.

Je hebt me van mijn zinnen beroofd met één blik van je ogen,

Met één kraal van je snoer.” (Hoogl.4, 9)

Ook de vrouw is zich bewust van haar kwetsbaarheid, als getroffen door een geheimzinnige ziekte die haar het volle bewustzijn ontneemt:

“Sterk mij met druivenkoeken, verkwik mij met kweeappels,

Want ik ben ziek van liefde.” (Hoogl.2, 5)

De geliefde eerbiedigt het mysterie van de integriteit van de geliefde. Hij staat voor die “gesloten tuin” die alleen de vrouw van binnenuit kan openen – tuin die verwijst naar de tuin van Adam en Eva in de originele eenheid. (Gen. 2, 8)

“Een gesloten hof, ben je,

Mijn zuster, mijn bruid;

Een gesloten hof, een verzegelde bron.” (Hoogl.4, 12)

De geliefde is klaar en opent zich voor de komst van haar geliefde. Zijn wezen roept haar. De vrouw die bemint en zich bemind weet, kan de Bijbelse woorden uitspreken waarin het verlangen en de opening samenvloeien: “Kom.”

“Steek op noordenwind, kom, zuidenwind,

En blaas over mijn tuin, dat zijn geuren zich verspreiden!

Moge dan mijn lief in zijn tuin komen

En er genieten van de kostelijke vruchten!) (Hoogl.4, 16)

De geliefde, die de opening van de vrouw verwekte en verwachtte, weet zich in haar uitgenodigd.

“Ik ben al in mijn tuin, mijn zuster, mijn bruid,

Ik vergaar er mijn mirre en balsem,

Ik eet er mijn honingraat, ik drink er mijn wijn en mijn melk.” (Hoogl.5, 1)

Naar het beeld van de komst in de tuin, is er ook die van het feest, plaats van eenheid en vreugde (“eten”, “drinken”). “De melk” en “de wijn” verwijzen terug naar het beloofde land.

 

  1. Het woord van de instemming wordt vlees.

De wederzijdse instemming van de echtgenoten is het sacramentele woord van het huwelijk.

Het is de gewone praktijk in de Bijbel en de traditie van het volk van Israël (“Ze zeiden: “Laten we de jonge vrouw roepen, en haar gedacht vragen”. Zij riepen Rebecca en zeiden haar: ”Wilt ge weggaan met deze man?” en ze antwoordde: “Ik wil wel” (Gen. 24, 57-58)”)

Het woord in het sacrament is heel eenvoudig: “N. ik ontvang je als echtgenoot (echtgenote) en ik geef mij aan jou om je trouw lief te hebben, alle dagen van mijn leven”. Met deze formule verenigen man en vrouw zich voor God en voor de gemeenschap, en dit voor  heel hun verdere leven.

Het canonieke recht van de Kerk, zegt dat het huwelijk dan “gesloten” is. Maar het uitgesproken verbond tussen de echtgenoten moet bezegeld worden door de eenheid van de lichamen in de echtelijke daad. Dan zegt men dat het huwelijk “geconsumeerd” is.

Dit aspect is zo essentieel, dat als een van de partners zich voor langere tijd niet geeft, het verbond nietig verklaard wordt. De seksuele daad is dus de plaats waar de wederzijdse toestemming bezegeld wordt in de eenheid van de lichamen: “Ik geef mij aan je, ik ontvang je…” Elke echtelijke relatie hernieuwt dit verbond door de echtgenoten gesloten “in de Heer”. Dit toont het belang dat de Kerk hecht aan de seksualiteit van het koppel. Dat is waarom de catechismus van de Franse bisschoppen heel juist verklaren dat op dat moment: “Het woord vlees wordt” want de ja van de mondelinge toestemming incarneert zich in de ja van de eenheid van de lichamen. De seksuele eenheid is dus het teken van het sacramenteel engagement van het huwelijk; dat is wat het document van de Franse bisschoppen noemt: “het vlees dat woord wordt en waarachtige taal”.

 

Dit teken in het vlees is belangrijk in de Bijbel, en doet denken aan het verhaal van Abraham. Als God met hem en zijn stam een verbond sluit, maakt hij een teken in de lichamen van de mannen. “Gij moet de voorhuid besnijden, het zal het teken zijn van het verbond tussen u en Mij… Mijn verbond zal in uw vlees gemerkt worden als een eeuwig verbond.” (Gen. 17, 11-13) De lichamen van de Israëlieten dragen dit merkteken die het verbond met God betekenen. Het is tevens in deze context van het huwelijksverbond dat God dit ander teken geeft: de eenheid van de lichamen.

De seksualiteit van het koppel vermindert de schoonheid niet van de geestelijke eenheid, maar integendeel incarneert, realiseert, schrijft dit huwelijksverbond met God in het vlees. De wederzijdse gave van de lichamen heeft deel aan het mysterie van de incarnatie van de liefde. De geliefde van het Hooglied roept het uit: “Draag mij als een zegel op uw hart.” (Hoogl. 8, 6) Als het koppel “één vlees wordt”, wordt het zegel niet alleen gedragen op het hart, maar intiem in het lichaam.

  1. De seksuele relatie is drie maal heilig.

De joodse traditie gaat gedurfde formuleringen niet uit de weg als het over het heilig karakter gaat van een mooie echtelijke eenheid. Zo staat er in de Talmoed:

“Op het moment dat de man met zijn vrouw in heiligheid is verenigd, verblijft de Chekinah (de Goddelijke Aanwezigheid) bij hen.”

Een joodse schrijver uit de Middeleeuwen verklaart:

“De seksualiteit is bij uitstek een pure en heilige zaak, als de bedoelingen bij de daad puur en heilig zijn… Wat de wil is van de Goddelijke Schepper kan nooit en in geen geval voorwerp van schaamte zijn of besmet zijn  door een of andere vorm van lelijkheid.” (Brief over de heiligheid, XIII eeuw)

Sommigen zullen waarschijnlijk de vraag stellen: waarom seksualiteit spiritueel  benaderen, terwijl het toch louter  biologische mechanismen zijn? Waarin kan zo’n natuurlijke realiteit als de seksualiteit heilig verklaard worden? Is dit hier geen taalkundig spitstechnologie, of een romantische stijlfiguur om op zo’n eenvoudig gegeven een geestelijke vernislaagje te zetten?

In de Bijbel is alleen God heilig. Bij uitbreiding wordt alles wat toelaat in contact te komen met God, in de ruimte of in het gebruik van bepaalde voorwerpen “heilig” genoemd. De heiligheid van een plaats of een persoon impliceert altijd een scheiding met het profane om in de ruimte van God te komen. Het volk van Israël is “heilig” omdat het gescheiden is van de andere volkeren – het land van Israël is “heilig”, want gescheiden van de andere landen – de stad Jeruzalem is “heilig” want gescheiden van de andere steden – de dag van de Sabbat is “heilig” want gescheiden van de andere gewone dagen.

We mogen stellen dat de menselijke seksualiteit driemaal heilig is, want ze maakt drie essentiële scheidingen:

Ze is heilig omdat ze beleefd wordt  in een specifiek menselijk domein, radicaal gescheiden van de dierenwereld.

“God de Heer boetseerde uit de aarde alle dieren op het land en alle vogels van de lucht, en bracht die bij de mens, om te zien hoe hij ze noemen zou: zoals de mens ze zou noemen, zo zouden ze heten. De mens gaf dus namen aan alle tamme dieren en alle vogels van de lucht en aan al de wilde beesten; maar een hulp die bij hem paste vond de mens niet.” (Gen. 2, 19-20)

De mens kan zich hechten aan huisdieren, maar deze kunnen geen “hulp die bij hem past” zijn. Het dier is vaak een hulp in het werk, maar geen gelijkwaardige partner en verschillend in communicatie; daarom kan hij de mens niet vervullen. Vandaar het verbod uit het boek Leviticus, dat zoöfilie veroordeelt (Lev. 18, 23-24).

De seksualiteit is heilig in de scheiding die gesteld is bij mensen van hetzelfde geslacht. Voor de Bijbel is homoseksualiteit een radicale ontkenning van Gods plan, die de eenheid van de seksen wil in hun verscheidenheid.

“Overigens geldt voor de Heer, dat noch de vrouw iets is zonder de man, noch de man zonder de vrouw. (1 Kor. 11, 11)

De weigering van het anders zijn in de seksuele relatie verwerpt het menselijk koppel zoals God het wil.

“God schiep de mens als Zijn beeld,

als het beeld van God schiep Hij hen,

man en vrouw schiep Hij hen.

God zegende hen…” (Gen. 1, 27-28)

God is relatie, zo schept Hij dan de mens naar “Zijn beeld en gelijkenis”, dat wil zeggen in staat om relaties te hebben met zijn Schepper en zijn soortgenoten met het oog op een “jij” en “ik” verbond. De mens, als persoon, geschapen in een man-vrouw dualiteit, kan zo tot vervulling komen door het seksuele verschil dat door God gewild en goed is. Man en vrouw realiseren samen het beeld van God; het is samen dat ze zijn zegening ontvangen.

De rabbijnen Josy Eisenberg en Armand Abecassis bespreken het tweede scheppingsverhaal als volgt:

“Wat de Bijbelse tekst eigenlijk zegt, volgens Rachi, is dat de vrouw getrokken is uit de zijde, uit een van de zijden van de man, en niet uit een van zijn ribben, waarbij je de klassieke vertaling van het woord “tsela” hoort als een  grenslijn  (= limite  in het Frans), een “côte” in de maritieme zin. De zijde is de grenslijn. De man moet zijn mannelijk lichaam aanvaarden tot aan de grenslijn  om aan deze grenslijn het vrouwelijk wezen te ontmoeten. De waarachtige seksualiteit plaatst uiteindelijk de man in zijn mannelijke begrensdheid: dan kan hij de andere opmerken en beluisteren, als een andere.” (A Bible Ouverte. Et Dieu créa Eve, Albin Michel 1992)

De joodse en christelijke commentatoren benadrukken dat de  seksualiteit de oorspronkelijke plaats bij uitstek is, om de verschillen tussen man en vrouw te ervaren.

De man en de vrouw die elkaar liefhebben beseffen dat ze los van elkaar niet volledig zijn. De ervaring van het gemis is noodzakelijk om toegang te hebben tot het verlangen naar en de ontmoeting met de andere. Het seksueel verschil aanvaarden behoedt de mens tegen de illusie van een gesloten, teruggetrokken  wereld, waar hij in zichzelf gekeerd leeft. Hij heeft nood om zich open te stellen  voor het ander geslacht om zich  ten volle te verwezenlijken , zoals hij nood heeft om zich open te stellen voor God om zijn toestand als schepsel te aanvaarden.

De rabbijnen gebruiken zelfs het Hebreeuws alfabet om te bewijzen dat man en vrouw samen beeld van God zijn. De letter “yod” van de man en de letter “hé” van de vrouw moeten verenigd zijn om alle nodige letters te hebben om het tetragram te vormen, t.t.z. de goddelijke Naam. (De Hebreeuwse lettercombinatie יהוה (jod-hee-vav-hee (JHWH of JHVH)) is in de Hebreeuwse Bijbel de Naam van God.  Deze lettercombinatie wordt ook wel tetragrammaton genoemd)

Dit legt het Bijbelse verbod uit van de homoseksuele praktijk (Lev. 18, 22)

De seksualiteit is heilig omdat ze een derde scheiding maakt: deze van andere mogelijke partners. Inderdaad, de getrouwde persoon wordt apart geplaatst voor de exclusieve gave aan de echtgenoot (echtgenote). Vandaar het gebod: “Gij zult geen overspel plegen” (Ex. 20 14).

In de traditie van de Talmoed, wordt het huwelijk “qiddouchim” genoemd, d.w.z. heiliging. De wijzen van Israël die de huwelijksviering opgesteld hebben, hebben ze “consecratie” genoemd om duidelijk te maken dat de vrouw uitsluitend toebehoort aan haar echtgenoot  en verboden is voor elk andere man, zoals het verboden is voorwerpen die geconsacreerd zijn in de Tempel van Jeruzalem te gebruiken voor profane doeleinden!

Daarom verklaart de bruidegom tijdens het overhandigen van de ringen aan zijn bruid: “Jij bent mij toegewijd door deze ring, volgens de wet van Mozes en van Israël.”

Het genot is geen maatstaf van de liefde.

In de eucharistische communie is het belangrijkste Jezus te ontvangen, het Brood van Leven. Dit bewonen van de Christus in de ziel, geschonken in het doopsel, vernieuwt de aanwezigheid van God. Het woord wordt vervuld:

“Wie mijn vlees eet en mijn bloed drinkt

Blijft in mij en ik in hem.” (Joh. 6, 56)

Wie te communie gaat doet dat soms met grote vurigheid en met een sterk gevoel van vrede, vreugde, liefde. De ziel is in vervoering, als “in de hemel”, zoals de apostelen bij de gedaanteverandering op de berg Thabor. Maar soms is de ziel in een woestijn en voelt niets, geen grote gevoelens of religieuze emoties; ze blijft als een vreemde ten opzichte van het beleefde. Soms ontdekt de gelovige, wat beschaamd, dat hij niet echt aanwezig was op deze afspraak met de liefde, verstrooid door uiterlijke prikkels (de originele kledij van de koorleidster!) of innerlijke zorgen.

Een liturgisch gebed na de communie kan ons geruststellen:

“Moge de genade van deze communie, Heer, bezit nemen van onze geesten en onze harten, opdat haar invloed, en niet ons gevoelen, in ons mag blijven heersen…” (Tijd door het jaar XXIV)

Wat belangrijk is, zijn niet onze voorbijgaande emoties, maar de werkelijke vruchten van onze ontmoeting.

Hetzelfde kan gezegd worden van de echtelijke relaties. De gevoelde emoties zijn niet de maatstaf van de liefde.

De seksuele relaties zijn geen competitie om buitengewone prestaties te verrichten noch een examen om vaardigheden te evalueren. Wanneer  men doordeweekse boekjes doorbladert,  die uitgegeven zijn voor het grote publiek, en  waarin het onderwerp seksualiteit behandeld wordt, dan is men verrast door het grote belang dat gehecht wordt aan het fysisch genot. Er is een geniepige culturele druk die de waarde van de seksuele daad beoordeelt enkel op basis van het criterium van het orgasme.

Wanneer we het gegeven ‘prestatie’, op een geobsedeerde wijze, centraal plaatsen in een liefdesrelatie, brengen we het koppel in de situatie van kunstschaatsers die een cijfer krijgen na hun prestatie! En de prestatie wordt geëvalueerd in functie van de intensiteit van het genot. Sommigen ervaren deze druk als heel pijnlijk en kunnen geblokkeerd raken in de uitdrukking van hun liefde. Voor hen is de bekoring groot om te vluchten; ze zullen onder  het mom van allerlei voorwendsels     het risico op een mislukking willen vermijden.

Ze zullen afwijzen om de kans op een vernedering  uit te sluiten om zo de andere of zichzelf  niet te ontgoochelen.

In dat geval zal de echtgenote zich wijsmaken dat het beter is te investeren in andere competenties en loopt zij op die wijze sterk het risico om uitsluitend het moederschap centraal te plaatsen. De echtgenoot die vreest niet op de hoogte te zijn van de veronderstelde prestaties van de andere mannetjes, zal

zich liever buitenhuis engageren en het beste van zichzelf geven in verbouwingswerken of in de politiek…

In een christelijke houding mogen we de amoureuze relatie, zoals ze voorgesteld wordt in de in de mode zijnde fantasieën, niet als waar (en waardevol)  beschouwen.

“Stemt uw gedrag niet af op deze wereld. Wordt andere mensen, met een nieuwe visie. Dan zijt ge in staat om uit te maken wat God van u wil, en wat goed is, wat zéér goed is en volmaakt.” (Rom. 12, 2)

De echtgenoten worden uitgenodigd om hun relaties te beleven in liefde en tederheid, en, durven we het zeggen, op een gewone en eenvoudige manier. Zij moeten zelf hun taal van de liefde ontwikkelen, vanuit wat ze zijn en niet in functie van een opgelegd “ideaal”. God vervult zijn kinderen die elkaar liefhebben; Hij geeft zijn zegening aan het koppel dat Hij gevormd heeft en die hun huwelijksverbond hernieuwen door één vlees te worden. “En Hij zag dat het heel goed was.” (Gen. 1, 31)

Deze nieuwe vrijheid ten opzichte van de hedendaagse “normen” van de seksualiteit geven vreugde en vrede.

KADER

“NAAR GODS BEELD MAN EN VROUW” JOHANNES PAULUS II

“De eenheid, waarover Genesis 2, 24 spreekt (“beiden worden één vlees ” is zonder enige twijfel die eenheid die wordt uitgedrukt en verwezenlijkt in de huwelijksdaad. […] Maar de gehele context van de lapidaire formulering veroorlooft ons niet, te blijven stilstaan bij de oppervlakte van de menselijke seksualiteit of over het lichaam en over het geslacht te handelen buiten de volle dimensie van de mens en van de “gemeenschap van personen”; hij verplicht ons daarentegen, van het “begin af” de volheid en de diepte te ontdekken die eigen zijn aan die eenheid die man en vrouw in het licht van de openbaring van het lichaam moeten vormen. […]

Man en vrouw die zich (in de huwelijksdaad) zo nauw verenigen dat zij “één vlees” worden, ontdekken bij wijze van spreken het scheppingsmysterie elke keer op heel speciale wijze opnieuw en keren zo terug naar die eenheid in het mens-zijn (“vlees van mijn vlees en been van mijn gebeente”) die het hun mogelijk maakt elkaar over en weer te herkennen en elkaar zoals de eerste keer bij hun naam te noemen. In zekere zin betekent dit een opnieuw beleven van de oorspronkelijke maagdelijkheidswaarde van de mens die tevoorschijn komt uit het mysterie van zijn eenzaamheid tegenover God en midden in de wereld. Het feit dat zij “één vlees” worden, is een sterke, door de Schepper gelegde band, waardoor zij hun eigen mens-zijn ontdekken, hetzij in de oorspronkelijke eenheid daarvan, hetzij in de dualiteit van een geheimzinnige wederzijdse aantrekkingskracht.”

Naar Gods beeld Man en vrouw

Een lezing van Genesis 1-3, Uitgave Nieuwe Stad

EINDE KADER

 

Advertenties